Beleidskader en actieprogramma windturbines

De Provincie Oost-Vlaanderen heeft een beleidskader uitgewerkt dat de inplanting van zowel groot-, midden- als kleinschalige windturbines op een ruimtelijke en landschappelijk verantwoorde manier moet ondersteunen. Onderaan de pagina kun je de volledige tekst en kaartmateriaal raadplegen.

Waarom een beleidskader voor de inplanting van windturbines?

Top

Een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een omschakeling naar hernieuwbare energiebronnen (zon, wind en water) is uiterst noodzakelijk om de klimaatverandering binnen de perken te houden. De zoektocht naar alternatieve, 'groene energie' bracht ook de 'windmarkt' in volle expansie. De provincie wordt hierdoor steeds meer geconfronteerd met concrete plannen van gemeenten, burgers en ontwikkelaars.
Het inplanten van windturbines kan in onze dichtbebouwde provincie echter niet zomaar lukraak. Turbines hebben immers een aanzienlijke impact op het omliggende landschap en de leefkwaliteit van de aanpalende bewoning. Een consequente ruimtelijke visie op de inplanting is dan ook absoluut noodzakelijk. 

Wat houdt het beleidskader in?

Top

Het beleidskader wordt beschouwd als een onderdeel van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan. Het volgt dan ook de vereiste onderverdeling van een structuurplan met een informatief, een richtinggevend en een bindend gedeelte.
In het informatieve gedeelte wordt de stand van zaken over windenergie in de provincie geschetst. Het richtinggevende gedeelte is de kern van het document. Hierin wordt de visie van de Provincie Oost-Vlaanderen weergegeven over de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende overheden en de inplanting van groot- en middenschalige turbines enerzijds en kleinschalige turbines anderzijds. Het bindend gedeelte tenslotte beschrijft het actieprogramma die de visie in praktijk zal brengen.

Groot- en middenschalige turbines

Top

De Provincie Oost-Vlaanderen wil duidelijk aangeven waar zij windturbines als een mogelijkheid ziet en waar zij dan ook de inplanting wil ondersteunen. Daarvoor werden de potentiële inplantingslocaties binnen Oost-Vlaanderen in kaart gebracht. Binnen deze zones kan verder onderzoek uitgevoerd worden op detailniveau. De Provincie zal een stedenbouwkundige verordening opmaken voor het sturen en reguleren van toekomstige inplantingen.

Bevoegdheidsverdeling

Top

De vraag wie bevoegd is om te beslissen waar de windturbines ingeplant kunnen worden, kan niet eenduidig beantwoord worden. Er bestaat immers geen vast criterium waarop de bevoegdheidsverdeling kan worden gebaseerd. Daarom is nu tussen Provincie en Vlaamse Overheid volgende afbakening van bevoegdheden afgesproken:

Groot- en middenschalige  turbines (*)  Kleinschalige windturbines (**)
Vlaamse Overheid - aangeven van de spelregels (gewestelijke omzendbrief)
- mogelijkheid tot aangeven van een taakstelling
- ondersteuning en advies bij opstelling provinciale visie
- afstemmen van de verschillende provinciale visies - goedkeuring van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen
- verlenen van stedenbouwkundige vergunningen (turbines van openbaar nut of publieksrechterlijke rechtspersonen)
Provincie - opmaak provinciale visie met zoekzones voor de inplanting van turbines
- opmaak provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen - coördinatie initiatieven op gemeentelijk niveau
- goedkeuring gemeentelijke planinitiatieven
- Milieuvergunning klasse 1
- aangeven van richtlijnen aan de gemeenten
- mogelijke opmaak van provinciale stedenbouwkundige verordening
Gemeente - opmaak gemeentelijke RUP's (in afspraak met de provincie)
- verlenen van stedenbouwkundige vergunningen (private turbines)
- Milieuvergunning klasse 2
- Milieuvergunning klasse 3
- uitwerken van een gemeentelijk beleid
- mogelijke opmaak van een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening
- verlenen van stedenbouwkundige vergunningen

(*)  Grootschalige: masthoogte > 60 m, rotordiameter > 50 m, vermogen > 1 MW, enkel gebruikt voor grootschalige energieopwekking van algemeen nut 
Middenschalige: masthoogte van 15 tot 60 m, roterdiameter van 10 tot 50 m, vermogen van 0,5 tot 1 MW, gebruikt voor kleinschalige energieopwekking van algemeen nut of energiebron voor individuele bedrijven.
(**) Kleinschalige: masthoogte < 15 m, kunnen andere vormen aannemen, gebruikt voor energieopwekking voor een huishouden of bedrijf.  

Statuut van potentiële inplantingszones

Top

Het beleidskader dat binnen dit document werd uitgewerkt heeft in principe haar direct toepassingsgebied binnen de ruimtelijke planningsprocessen (opmaak van Provinciale Ruimtelijke uitvoeringsplannen, opmaak van provinciale stedenbouwkundige verordeningen en beoordeling van gemeentelijke Ruimtelijke structuurplannen en uitvoeringsplannen) en stelt zich daarmee op het niveau van het provinciale ruimtelijk structuurplan. Het beleidskader dient te worden beschouwd als een addendum aan het bestaande Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan, de opties van dit Structuurplan blijven dan ook volledig en onverkort van toepassing. Binnen het vergunningenbeleid kan het beleidskader niet rechtstreeks worden toegepast. De elementen uit dit beleidskader kunnen echter wel deel uitmaken van de opportuniteitsafweging. Naar het gewest toe geldt deze visie zowel als advies bij het verlenen van vergunningen voor de turbines van openbaar nut, als als suggestie naar gewestelijke planinitiatieven toe.

De visie die binnen dit document naar voor wordt gebracht is een visie op provinciale schaal (macro-schaal). Voor specifieke inplantingen dient steeds een verdere verfijning van deze visie te gebeuren.

Sites die niet in aanmerking komen

Top

Alhoewel de Provincie Oost-Vlaanderen een positief beleid wenst te voeren naar de inplanting van windturbines, is het duidelijk dat windturbines niet zomaar overal kunnen worden geplaatst. Een aantal gebieden zijn immers te kwetsbaar om de inplanting van deze grootschalige machines te kunnen verantwoorden en dienen aldus uitgesloten te worden. Binnen deze gebieden kan geen ruimtelijk uitvoeringsplan voor windturbines worden opgemaakt en wordt het verlenen van een vergunning ongunstig geadviseerd. Deze gebieden zijn:

  • de Vogelrichtlijngebieden, de Habitatrichtlijngebieden, gebieden die vallen onder het verdrag van RAMSAR, de VEN-gebieden en de Vlaamse en de erkende natuurreservaten.
  • volgende gebieden in Oost-Vlaanderen verdienen bijzondere aandacht: bosgordel Maldegem-Stekene, het kreken-en poldergebied, de valleigebieden van de Schelde, Leie, Durme en Dender, de depressie van de Moervaart en het kanaal van Stekene, de beekvalleien van Zuid-Oost-Vlaanderen en de beboste toppen van de Vlaamse Ardennen.
  • beschermde landschappen en ankerplaatsen opgenomen in de landschapsatlas
  • directe woonomgeving
  • stiltegebieden en potentiële stiltegebieden

Sites die wel in aanmerking komen

Top

Windturbines kunnen geplaatst worden nabij elementen die al een bijzondere landschappelijk bepalende impact hebben op hun omgeving. Daarbij is het clusteringprincipe van groot belang. In aanmerking komen:

  • de stedelijke gebieden en de specifiek economische knooppunten

Grootschalige en middenschalige windturbines kunnen beschouwd worden als een voorziening voor wonen en bedrijvigheid, te koppelen aan de grotere kernen. Deze grote kernen werden geselecteerd in het RSV als stedelijk gebied. De stedelijke gebieden hebben een ruime landschappelijke maar ook een functionele invloedssfeer die zich relatief ver uitstrekt, voornamelijk wanneer het om grootstedelijk gebied (Gent) of regionaalstedelijk gebied gaat (Sint-Niklaas en Aalst), wat zich vertaalt in een vaak ruime peri-urbane gordel rond de stad, waarin de inplanting van windturbines ruimtelijk nog steeds kan gekoppeld worden aan het stedelijk gebied. De kleinstedelijk gebieden (Eeklo, Beveren, Lokeren, Temse, Deinze, Wetteren, Dendermonde, Oudenaarde, Zottegem, Ninove, Ronse en Geraardsbergen) hebben een beperktere landschappelijke en functionele koppelingszone waarbinnen de inplanting van windturbines nog als ruimtelijk samenhangend met de kern wordt gepercipieerd. Een bijzonder positief aandachtspunt voor de inplanting van windturbines is het E17-netwerk rondom de stedelijke kernen van Lokeren, Sint-Niklaas, Temse en Beveren.

  • de bedrijventerreinen

Specifiek met betrekking tot bedrijvigheid zijn de kernen die werden aangeduid als specifiek economische knooppunten erg belangrijk als concentratiepunten van bijkomende regionale bedrijvigheid. Omwille van hun sterk economisch karakter vormen deze kernen ((Maldegem, Aalter, Zele, Nazareth en Kluisbergen) naast de stedelijke kernen belangrijke aanknopingspunten voor de inplanting van groot- en middenschalige turbines. Met de herziening van het RSV komen daar een aantal "bijzondere" economische knooppunten" bij.

  • de grootschalige waterlopen

Met betrekking tot de waterwegen zijn de structurerende waterwegen van het hoofdaderwegennet en secundaire waterwegennet volgens de omzendbrief van het Vlaamse Gewest mogelijke aanknopingspunten voor het inplanten van groot- en middenschalige turbines. De koppelingszone rondom de waterwegen, is sterk variabel en afhankelijk van de grootte van de waterweg, het landschap waarin deze waterweg zich bevindt en het al dan niet natuurlijke karakter van de waterweg. Alhoewel op de kaart alle hoofdwaterwegen en secundaire waterwegen zijn aangegeven, is het duidelijk dat omwille van landschappelijke en natuurwaarde vooral de natuurlijke waterlopen binnen Oost-Vlaanderen een minder sterk positief aanknopingspunt zullen zijn dan de artificiële waterlopen, de kanalen.

  • het hoofdwegennetwerk alsook de primaire en de secundaire wegen

Op vlak van autowegen treden de hoofdwegen, de primaire wegen en de secundaire wegen type I en type II op als mogelijke aanknopingspunten. Hierbij is het duidelijk dat de secundaire wegen, een beperktere structurerende functie hebben.

  • Het hoofdspoorwegennet

De hoofdspoorwegen zijn van belang omwille van hun ruimtelijk structurerende verbindingsfunctie tussen de grotere kernen. Het gaat hier om de spoorlijnen Brugge – Gent – Brussel, Kortrijk – Gent – Antwerpen, Kortrijk – Zottegem – Brussel, Gent – Aalst – Brussel en Lokeren – Dendermonde – Brussel.

  • het hoogspanningsnetwerk

Omwille van hun grootschaligheid en hun grote negatieve landschappelijke impact als lijninfrastructuren kunnen de bovengrondse hoogspanningsleidingen van 150 en 370 kV als aanknopingspunt worden geselecteerd. Lijninfrastructuren zijn niet binnen iedere omgeving even sterke aanknopingspunten. Dit is erg afhankelijk van het landschapstype waarin de infrastructuren zich bevinden. Zo kunnen hoogspanningsleidingen binnen sterk stedelijke omgevingen een sterk aanknopingspunt zijn, in de open ruimte kan de inplanting van windturbines nabij deze leidingen eerder een sterker negatief effect op het landschap met zich meebrengen. De secundaire wegen zijn vaak omgeven door historisch gegroeide bebouwing en zullen aldus in de praktijk vaak minder vaak aanleiding geven tot mogelijke inplantingslocaties.

  • aanwezige of geplande hoge infrastructuren

Enerzijds kan het hier gaan om grootschalige bedrijfsgebouwen (schouwen), haveninfrastructuren of hoogspanningsmasten. Daarnaast zijn binnen de Provincie Oost-Vlaanderen vooral de bestaande windturbines belangrijke landschappelijke aanknopingspunten. Positieve gebieden voor de inplanting van nieuwe turbines zijn de omgeving van zowel al gerealiseerde inplantingsplaatsen als van vergunde windturbineprojecten. Hiernaast kunnen als sterk dominerende grootschalige constructies ook de koeltorens van de elektrische centrales van Doel, Rodenhuizen en Ruien als sterk aandachtspunt worden aangestipt. Niet alleen door hun grootte maar ook door het sterk dynamische karakter van de condensuitstoot.

Actieprogramma (bindend gedeelte)

Top

Het beleidskader is opgenomen in het provinciaal ruimtelijk structuurplan (PRS).

De Provincie zal binnen de 5 jaar alle zoekzones voor grootschalige windturbines onderzoeken op de mogelijkheden voor effectieve inplanting ervan. Hierbij zal o.a. grondige aandacht uitgaan naar de impact op geluid- en slagschaduw, op landschap en op veiligheidsaspecten.   

In het geval er ruimtelijke uitvoeringsplannen moeten worden opgemaakt zal de Provincie prioritair die gebieden onderzoeken die aansluiten bij stedelijke gebieden of economische knooppunten én aansluiten bij bedrijventerreinen én transportinfrastructuur.

Om inplanting van windturbines die niet passend zijn binnen het voorliggend beleidskader uit te sluiten wenst de provincie in overleg met de gemeenten een stedenbouwkundige verordening op te maken. Ook zal de Provincie nagaan in welke mate een verordening kan worden ingezet om de inrichting en het beheer van windturbineparken te reguleren of te sturen (ivm de verdeling van de lasten en de lusten en ivm de concurrentie tussen ontwikkelaars).

De Provincie wenst ook het draagvlak t.o.v. windturbines te behouden en te versterken. Daarvoor werden onder andere informatieve folders voor particulieren en bedrijven gemaakt en samen met het provinciaal Molencentrum (uitleenbare) tentoonstellingen ontwikkeld .

Verfijning zoekzones in Maldegem-Eeklo en E40-Aalter-Aalst

In haar beleidskader voor windturbines heeft de provincie potentiële inplantingslocaties voor midden- en grootschalige windturbines afgebakend.  Een aantal van deze locaties wordt nu verder in detail onderzocht. Op 21 oktober 2010 gaf de deputatie haar akkoord om te starten met de opmaak van een RUP en een plan-MER voor de uitbouw van concentratiezones voor windturbines in de zone Maldegem – Eeklo en de zone E40 tussen Aalter en Aalst.

In de eerste plaats zal een ruimtelijke, landschappelijke en milieutechnische analyse worden gemaakt van de concentratiezones. Daarna wordt een ruimtelijke visie en landschapsontwerp opgemaakt die tenslotte zullen worden vastgelegd in een RUP.

Contact

Meer informatie
windenergie@oost-vlaanderen.be